Implantaat verbetert deels sociaal-emotionele ontwikkeling dove kinderen

Een gehoorimplantaat bij dove kinderen zorgt voor een betere sociaal-emotionele ontwikkeling. Maar zij zijn minder goed in staat om andermans gedrag te voorspellen. Daarom blijft passende begeleiding noodzakelijk, concludeert Leids promovenda Lizet Ketelaar. Promotie 4 juni.


Een gehoorimplantaat bij dove kinderen zorgt voor een betere sociaal-emotionele ontwikkeling. Maar zij zijn minder goed in staat om andermans gedrag te voorspellen. Daarom blijft passende begeleiding noodzakelijk, concludeert Leids promovenda Lizet Ketelaar. Promotie 4 juni.

Meer gedragsproblemen zonder implantaat
 In Nederland worden elk jaar 150 tot 200 kinderen geboren met een gehoorverlies. Kinderen die helemaal doof zijn, of in zeer ernstige mate slechthorend, krijgen tegenwoordig vaak een cochleair implantaat (CI). In vergelijking met horende kinderen hebben dove kinderen zonder een CI vaker problemen op sociaal-emotioneel gebied; zij hebben bijvoorbeeld moeite om zich te verplaatsen in anderen en vertonen meer gedragsproblemen en psychische problemen. Ontwikkelingspsychologe Ketelaar wilde weten of dit ook geldt voor dove kinderen met een gehoorimplantaat.

Kinderen missen vaak emotionele lading
Met een CI kunnen dove kinderen (tot op zeker hoogte) geluid waarnemen, hetgeen tot verbeteringen leidt in de spraak-/taalontwikkeling. Maar of een CI ook invloed heeft op andere ontwikkelingsgebieden is minder uitvoerig onderzocht. Ketelaar onderzocht de sociaal-emotionele ontwikkeling van jonge kinderen met een CI. Ondanks hun implantaat hebben deze kinderen toch vaak een taalachterstand en zeker in rumoerige situaties kunnen ze lang niet alles verstaan. Ook de toon waarop iets gezegd wordt ontgaat deze kinderen vaak, terwijl dit wel de emotionele lading van een boodschap bepaalt.

Even empathisch
Ketelaar vergeleek kinderen met een CI (1 tot en met 5 jaar oud) met horende leeftijdsgenootjes. Dit deed zij onder andere aan de hand van testsituaties. Ook liet zij ouders vragenlijsten invullen over de mate van empathie – kunnen meevoelen met een ander – bij hun kinderen. Conclusie: kinderen met een CI zijn even empathisch in vergelijking met horende kinderen en zijn in dezelfde mate in staat andermans intenties te begrijpen. Maar ze kunnen minder goed andermans gedrag voorspellen. Dit maakt het voor hen moeilijker om gepast te reageren in sociale situaties.

Morele emoties minder ontwikkeld
Ketelaar onderzocht ook in hoeverre hun morele kompas in dezelfde mate is ontwikkeld. Morele emoties zoals schuld, schaamte en trots ontstaan wanneer individuen zichzelf zien door de ogen van een ander. Kinderen met een CI bleken minder in staat morele emoties te tonen in reactie op het falen of slagen op een taak.

Passende begeleiding nodig
Een opvallende uitkomst was dat taal een minder belangrijke rol speelde in de sociaal-emotionele ontwikkeling dan aanvankelijk was verwacht. ‘Dit betekent in ieder geval dat we er niet klakkeloos van uit mogen gaan dat kinderen met een CI en een goede taalontwikkeling ook een goede sociaal-emotionele ontwikkeling hebben, aldus Ketelaar. ‘Dit is een belangrijke boodschap voor iedereen die betrokken is bij deze kinderen. Voor ouders, maar ook voor leerkrachten en behandelaars. Een passende begeleiding van kinderen met een CI blijft noodzakelijk.’

Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de afdeling Keel-, Neus-, Oorheelkunde van het Leids Universitair Medisch Centrum en met de NSDSK, zorgaanbieder voor mensen met gehoor-, spraak-, of taalbeperkingen.