Open brief aan Harry Knoors


Eind juni 2004 werd Harry Knoors buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Zijn inaugurele rede ("Regulier basisonderwijs voor dove kinderen: een lonkend perspectief?") deed in de dovenwereld veel stof opwaaien, maar heeft tot nu toe niet tot officiële reacties geleid. In zijn rede stelt Knoors dat dove kinderen in het regulier onderwijs horen. De FODOK is van mening dat de onderbouwing van dit uitgangspunt niet klopt en heeft in een Open Brief aan Harry Knoors gereageerd op de inhoud van de rede. Dit omdat de FODOK haar zorgen wil delen met alle betrokkenen en de discussie hierover wil stimuleren.


Prof. dr. H. Knoors
Viataal
Theerestraat 42
5271 GD Sint-Michielsgestel

Utrecht, 5 oktober 2004
Ref.nr. 04-45

Betreft: inaugurele rede "Regulier basisonderwijs voor dove kinderen: een lonkend perspectief?"


Geachte heer Knoors, beste Harry,

Nogmaals van harte gefeliciteerd met je professoraat.
Na lezing van je inaugurele rede willen wij daar graag op reageren. Wij doen dat in de vorm van een open brief, omdat wij onze zorgen willen delen met alle betrokkenen, en omdat wij de discussie over dit belangrijke onderwerp willen stimuleren.


Samenvatting:
Harry Knoors stelt:
1. dovenonderwijs is onder de maat
2. dove kinderen horen in het regulier onderwijs
3. tweelingscholen zijn het beste

De FODOK reageert als volgt:
bij 1: dat klopt, laten we zorgen dat het beter wordt
bij 2: je argumentatie deugt niet
bij 3: een mooi idee, maar er is geen plaats voor meer dan 5 of 6 tweelingscholen in Nederland.

Conclusie:
1. Harry kiest de omweg van regulier onderwijs naar tweelingscholen om eigenlijk te zeggen dat dovenonderwijs, in verbeterde vorm, ideaal is voor dove kinderen.
2. Harry¹s boodschap zal door velen worden aangegrepen om domweg de problemen van dove kinderen in het regulier onderwijs te negeren.

Hieronder wordt een en ander toegelicht.



Om met de titel te beginnen: wat ons betreft kun je het vraagteken wel vervangen door een uitroepteken. Natuurlijk is het aanlokkelijk voor ouders als hun dove kind in de eigen omgeving naar de gewone school kan gaan. Geen door de afstand gedwongen internaatsplaatsing, en geen dagelijks gereis, vroeg weg - laat thuis, georganiseer, verre vriendjes, tijdrovende schoolbezoeken; gewoon met de kinderen uit de buurt omgaan. Als de overheid en diverse andere instanties en deskundigen dan ook nog zeggen dat dat prima is..., wat staat een zonnige toekomst voor alle dove kinderen in de school om de hoek dan nog in de weg? Daar willen we het hieronder graag over hebben.

Om een voor de hand liggend misverstand te voorkomen: de FODOK is niet tegen dove kinderen in het regulier onderwijs. Wij zien de voor- en nadelen van zowel regulier als dovenonderwijs. De FODOK vindt dat ouders zelf moeten bepalen wat voor hun kind het beste is, op alle terreinen. Zij weten het meest van hun kind en van de omstandigheden die met hun eigen situatie te maken hebben. Om een keus te maken moeten ze wél beschikken over goede informatie over alle andere aspecten die een rol spelen. De meeste ouders van een jong doof kind weten nog weinig over doofheid, en over de mogelijkheden die er voor dove kinderen bestaan. Ze zijn afhankelijk van anderen om zich een reëel beeld te vormen van alles wat een rol kan spelen bij de schoolkeuze. Die informatie moet zowel van de kant van de professionals komen als van andere ouders, dove jongeren en volwassenen, elk met hun eigen ervaringsdeskundigheid. Hierboven schetsten we de praktische nadelen van een school die ver uit de buurt is, wat met het geringe aantal dovenscholen helaas vaak het geval is. Die nadelen zijn overduidelijk en zwaarwegend. Des te belangrijker is het dat de minder in het oog lopende aspecten van de schoolkeuze, waarvan de gevolgen vaak pas op de langere termijn spelen, voldoende aandacht krijgen. Wij vinden het de verantwoordelijkheid van alle deskundigen, beroepskrachten en ervaringsdeskundigen, om hiermee rekening te houden en ook die aspecten onder de aandacht van de ouders te brengen.

Uit jouw rede concluderen we dat jij het, in principe, los van alle argumenten, beter vindt dat dove kinderen naar het regulier onderwijs gaan dan dat zij speciaal onderwijs volgen.
Deze conclusie baseren wij op de onderstaande delen van je rede. Ons commentaar hebben wij bijgevoegd.

I. de inleiding

De eerste drie paginaŽs van de schriftelijke versie van je rede zijn gewijd aan een algemene inleiding, voorafgaand aan het eigenlijke onderwerp. Deze inleiding schetst de historische ontwikkeling van de emancipatiebeweging van doven. Aan het eind ervan beschouw je de resultaten van die emancipatiebeweging in ons land op het gebied van maatschappelijke participatie. Wat betreft "arbeid" constateer je dat de werkgelegenheidssituatie van dove mensen weinig rooskleurig is. Als jongeren, bijvoorbeeld, al werk hebben, is dat veelal via speciale regelingen. Dan kijk je naar het onderwijs en zeg je: "De maatschappelijke participatie van doven in het onderwijs schiet zeker tekort, met name als het gaat om het basisonderwijs. Slechts een klein percentage van alle dove kinderen volgt onderwijs op reguliere basisscholen. Overwegend zijn dove kinderen, ook degenen zonder ernstige meervoudige beperkingen, leerling van een school voor speciaal onderwijs."
De formulering "schiet tekort" is negatief. Hier vergelijk je de arbeidssituatie van dove (jong)volwassenen met de schoolsituatie van dove kinderen. Daarmee lijk je speciale scholen op één lijn te stellen met werkloosheid of iets als sociale werkplaatsen.
De FODOK vindt dat de maatschappelijke participatie van doven in het onderwijs alleen dan tekort schiet als onderwijs (op welk niveau dan ook) ontoegankelijk voor dove kinderen/ jongeren is door een gebrek aan inzet en faciliteiten van de kant van het onderwijs. Van tekortschieten is volgens ons geen sprake in het geval dat het speciaal onderwijs de beste plek voor een bepaald doof kind is: "samen waar mogelijk, apart waar nodig."
Een enigszins vergelijkbare situatie: de FODOK vind het beter dat er RIAGGŽs zijn die gespecialiseerd zijn in de hulpverlening aan doven, dan dat alle RIAGGŽs toegankelijk zouden moeten zijn voor alle doven, want dat laatste klinkt leuk, maar is onmogelijk.

II. dove kinderen in het basisonderwijs

De cijfers in dit deel van je rede laten zien dat in de Angelsaksische landen veel meer dove kinderen op reguliere scholen zitten dan in Nederland. Die cijfers tonen ook aan dat de helft van de "geïntegreerde" dove kinderen in de Verenigde Staten als enige dove kind op hun school zitten, in nog eens 16% van de gevallen is er nog een tweede kind. Jouw conclusie: "Deze cijfers suggereren dat een groot deel van alle slechthorende en dove leerlingen in het regulier basis- en voortgezet onderwijs in de Verenigde Staten ofwel geen enkel doof kind kent, ofwel contact heeft met slechts één doof of slechthorend kind." Uit de rest van je rede blijkt dat jij dat geen goede zaak vindt. Toch schrijf je naar aanleiding van de situatie in de Angelsaksische landen: "Deze cijfers staan in schril contrast met de gegevens in ons eigen land."
Opnieuw een, in onze ogen, ongegrond negatief oordeel over de huidige situatie in ons land.
De Amerikaanse organisatie van ouders van dove kinderen ASDC constateerde recentelijk na 28 jaar ervaring met de wet die ertoe heeft geleid dat een groot deel van de dove kinderen in het regulier onderwijs terecht kwam: "Het bestaande systeem begrijpt niet de centrale rol die communicatie voor onze kinderen heeft, en hoe nodig een effectieve en bij de leeftijd passende communicatiewijze en taal is voor hun groei, zowel op onderwijskundig als persoonlijk terrein.(..) Het resultaat is, in veel situaties, een verloren kind in een falend onderwijssysteem." Overigens heeft de ASDC hiervoor reeds gewaarschuwd toen de wet in werking werd gesteld!

III. ouders van dove kinderen

In je rede komen ouder(organisatie)s een paar keer voor. We beperken ons hier tot het onderwerp "onderwijs".
Je zegt dat de uitbreiding van het aantal locaties voor gespecialiseerd dovenonderwijs mede het gevolg is van de wens van ouders op dit punt, en dat onder grote druk van de ouders gestart werd met de herintroductie van gebaren in het onderwijs.
De toegenomen communicatieve vaardigheden van hun kinderen, de toegenomen taalvaardigheid, de toegenomen hoormogelijkheden (deze drie punten ook in relatie tot neonatale gehoorscreening en cochleaire implantatie), de twijfels over de kwaliteit van het dovenonderwijs en de toegenomen reistijden ernaartoe, evenals de wens hun kind in de buurt te laten opgroeien, breng jij in verband met het groeiend aantal ouders dat overweegt hun dove kind in het regulier basisonderwijs te plaatsen.
In detail ga je in op de terughoudendheid die ouders ervaren bij dovenscholen waar het de plaatsing van hun kind in het regulier onderwijs betreft: "De terughoudendheid die leeft als het gaat om plaatsing van slechthorende en dove kinderen in het regulier onderwijs ervaren Nederlandse ouders als weerstand." Daarvoor gebruik je de gegevens van de arts en filosoof Wever uit zijn proefschrift. Je citeert een ouder om de afwijzende houding van het dovenonderwijs te illustreren: "Zoals: die kinderen, ze moeten al zo hard werken (...) Ze zeggen dat je ze overvoert, je maakt dat ze zich te veel moeten inspannen. Kinderen worden overspannen van te veel eisende ouders. Ze hebben het al zo moeilijk. Je moet ze gewoon laten zoals ze zijn." Je schrijft: "Dovenscholen blijken vooral beducht te zijn voor het sociaal en emotioneel welzijn van kinderen."

Wat betreft het citaat van die ouder. Ons is niet duidelijk wat hier bedoeld wordt, je kunt er twee kanten mee op. Enerzijds proeven we hier inderdaad iets waar wij ook tegenaan lopen in het dovenonderwijs: te lage verwachtingen, die zijn voor ieder kind funest. Anderzijds vinden we dat het slecht is als een kind wat betreft de communicatie voortdurend op zijn tenen moet lopen, en zijn we van mening dat geen enkel kind eenzaam moet zijn in een groep.
Ons valt verder vooral op wat je niet meldt.
Je noemt het convenant dat in 1998 werd gesloten door de Nederlandse doveninstituten met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de invoering van tweetaligheid, waarbij je Dovenschap en de FODOK weglaat als medeondertekenaars. De FODOK was overigens niet alleen medeondertekenaar, wij hebben ons ook grote inspanningen getroost om het convenant tot stand te doen komen en naar behoren te laten uitvoeren. Je citeert niet één ouder, van binnen of buiten de FODOK, die argumenten aandraagt vóór het gespecialiseerde dovenonderwijs, terwijl je formulering " Nederlandse ouders" wel een algemene indruk wekt. En die argumenten zijn er wel degelijk.
Natuurlijk zien ook wij dat het aantal dove kinderen, met of zonder CI, in het regulier onderwijs toeneemt. Maar we weten ook hoe moeilijk het altijd al was voor "jonge" ouders om de ingrijpende gevolgen van niet (goed) horen te overzien. Het zijn juist de "oudere" ouders die we al jarenlang horen zeggen: ik zie pas nu hoe alles in elkaar grijpt, hoe belangrijk de aandacht voor gebarentaal, voor dove vriendjes, voor dove volwassenen als rolmodel, voor de sociaal-emotionele ontwikkeling in het algemeen is, en wat de gevolgen, soms pas veel later, zijn als die aandacht er onvoldoende is. Bij de FODOK kwamen de telefoontjes binnen van ouders wier kind op een "orale" school zat toen er al andere mogelijkheden waren; zij vertelden ons in tranen de verwijten van hun kind toen dat eenmaal ontdekte dat er scholen bestonden waar gebaren werden gebruikt en dat er een dovenwereld bestond. En je kunt je wel voorstellen hoe groot de drempels voor zowel kind als ouders waren om dat tot uitdrukking te brengen. Wij horen van ouders hoe kinderen die het toch zo goed deden in het reguliere onderwijs uit de eenzaamheid wegvluchten naar het VSO, naar gebarentaal. De ouders van kinderen die een baan hebben vertellen ons hoe geïsoleerd die (jong)volwassenen bijna altijd op de werkvloer zijn. In vertrouwen hebben wij van een aantal ambulant begeleiders gehoord van schrijnende omstandigheden waaronder dove kinderen op een reguliere school zitten. In die gevallen hadden de ouders geen oog voor de situatie en geen wens om alternatieven te onderzoeken.
Dit alles wil helemaal niet zeggen dat wij ouders afraden om hun dove of (ernstig) slechthorende kind naar het regulier onderwijs te laten gaan. Wij proberen ouders zoveel mogelijk informatie te geven, van zoveel mogelijk kanten en standpunten, zodat ze zelf een weloverwogen beslissing kunnen nemen. We hopen altijd dat de andere deskundigen hetzelfde doen.

Aan "allochtone" ouders wordt één zin gewijd: "Slechthorende en dove kinderen van autochtone ouders volgen veel vaker regulier basisonderwijs dan slechthorende en dove kinderen uit etnische minderheden." In Nederland betreft dit echter zo¹n 40% van de populatie! Dat zijn kinderen die, mede doordat er thuis vaak een andere taal dan het Nederlands wordt gesproken, nog meer risico lopen om op een reguliere school geïsoleerd te raken.
Bovendien biedt noch de positie van deze ouders in de maatschappij, noch hun opleiding meestal perspectief voor de intensieve betrokkenheid die nodig is als een doof kind op een reguliere school zit.
Wij vinden het onbegrijpelijk dat deze grote groep verder buiten beschouwing blijft.

IV. regulier basisonderwijs voor dove kinderen: een lonkend perspectief?

In dit laatste inhoudelijke deel van je rede concludeer je "Plaatsing van dove kinderen in het regulier basisonderwijs is weliswaar niet zonder problemen, maar deze kunnen ofwel opgelost worden, ofwel beperkt worden in hun omvang. Ze wettigen in ieder geval niet de grote terughoudendheid die wij in Nederland op dit gebied kennen."

Hieronder geven we de problemen weer die je bespreekt, vergezeld van ons commentaar.

1. Communicatieproblemen.
Je noemt het beperkte nut van aandacht voor visualisatie van lesstof, akoestiek en hulpmiddelen als soloapparatuur; de schaamte van sommige kinderen omdat ze door dit soort maatregelen en hoorapparatuur extra opvallen; je schetst uitvoerig de problemen verbonden aan het gebruik van tolken, en het ontbreken van evaluatie van de ervaringen ermee.

Je schrijft dat voor gebarende dove kinderen ambulante begeleiding niet voldoende is, want dat zij geconfronteerd worden met horende leerkrachten en medeleerlingen die hun taal niet spreken. Harry, het lijkt of je hier suggereert dat niet-gebarende dove kinderen moeiteloos met de leerkracht en hun groepsgenootjes communiceren. Uiteraard zou dat een geheel verkeerde voorstelling van zaken zijn.

2. Sociaal-emotionele problemen.
Je geeft de gedachtegang weer van voorstanders van "integratie" en inclusie. Een belangrijk argument van beiden is dat ook gehandicapte kinderen in sociaal en emotioneel opzicht volwaardig moeten kunnen functioneren, en dat dat het beste kan als ze niet gescheiden van de "gewone" kinderen naar school gaan, maar samen met de andere kinderen uit hun gemeenschap. Je noemt een bezwaar van de tegenstanders, bovenop de problemen onder punt a.: zonder een kritische hoeveelheid dove medeleerlingen is een doof kind vaak geïsoleerd. Hierdoor zou de minst beperkende onderwijsomgeving, een concept dat centraal staat in de inclusiebeweging, kunnen verkeren in de meest beperkende onderwijsomgeving. Vervolgens geef je een overzicht van wetenschappelijk onderzoek op dit gebied.

De positieve geluiden over inclusie uit Nederland zijn afkomstig van een onderzoek uit 1993, met een vervolg vier jaar later. Het onderzoek omvatte 20 dove kinderen, 10 "geïntegreerde" en 10 in het speciaal onderwijs (niet echt grote aantallen, zelfs in ons werkveld). Er bleken in sociaal-emotioneel opzicht nauwelijks verschillen te bestaan tussen hen en de kinderen op de dovenschool.
Onze reactie: in die tijd werden de kinderen die naar het regulier onderwijs gingen scherp geselecteerd. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid met hen die in het speciaal onderwijs achterbleven hebben wij grote twijfels. Bovendien vragen wij ons af in hoeverre de onderzochte kinderen sociaal wenselijke antwoorden gegeven kunnen hebben. Zeker als het enige alternatief is: terug naar het dovenonderwijs, en dus falen. (Tegenwoordig zijn er overigens dove kinderen die niet eens weten dat er speciaal onderwijs voor hen bestaat!)
Het lijkt ons sowieso moeilijk om een goed beeld te krijgen van het welbevinden van jongere dove dan wel (ernstig) slechthorende kinderen. Afgezien van sociaal wenselijke antwoorden, en onbekendheid met alternatieven, lijkt het ons essentieel dat zij voor een dergelijk onderzoek voldoende inzicht hebben in hun eigen gevoelens en over een referentiekader beschikken. Als aan de hiaten die op dat punt in de loop van hun ontwikkeling zijn ontstaan niet voldoende aandacht is besteed, zouden conclusies op dat gebied nog wel eens hachelijk kunnen zijn, iets dat vanuit de dovenhulpverlening bevestigd wordt.
Je noemt buitenlands onderzoek van een aantal jaren geleden dat vrij negatief oordeelt over participatie in het regulier onderwijs, maar recent onderzoek dat een positiever beeld schetst. Een citaat: "Zo blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat dove kinderen in reguliere schoolklassen minder aardig gevonden worden dan horende klasgenootjes. Wel blijken dove kinderen minder vaak vriendjes te hebben. Dove kinderen worden op zichzelf niet afgewezen, maar ze worden wel vaker genegeerd." De FODOK vindt de interpretatie dat dit een gunstig beeld zou zijn, ronduit schokkend. Is het niet erg om geen vriendjes te hebben, als ze je maar aardig vinden? Is het niet erg om genegeerd te worden, als je maar niet wordt afgewezen? Waar ging het ook weer om? Om in sociaal en emotioneel opzicht volwaardig te functioneren? Zijn dit dan details? Nee toch?
Verderop staat nog, in jouw samenvatting van de onderzoeksresultaten: "Weliswaar worden dove kinderen in het regulier onderwijs minder vaak geaccepteerd door hun horende medeleerlingen, maar ze worden niet afgewezen. Hun zelfbeeld wordt hierdoor niet negatief beïnvloed." Hoe kan dat? Als je als mens niet wordt geaccepteerd, heeft dat dan geen gevolgen voor je zelfbeeld?
Het heeft er op zijn minst de schijn van dat je tegen beter weten in positief oordeelt over dat wat negatief is.

3. Onderwijskundige problemen.
Bovenop de ingrijpende problemen onder punt a besproken, noem je dat de leesvaardigheid bij dove kinderen niet optimaal is (is dit niet een understatement?), waardoor de geschreven instructietaal (op het bord, de overhead en in de lesboeken) maar beperkt toegankelijk is. Je roemt ondertiteling als een veelbelovende techniek om het taalaanbod van leerkrachten toegankelijk te maken, maar je voegt er aan toe dat het dan wel noodzakelijk is dat dove kinderen voldoende leesvaardigheid hebben, ook wat betreft het tempo waarin ze taal kunnen begrijpen en tot zich kunnen nemen. Is het reëel te veronderstellen dat het doorsnee dove kind met of zonder CI die vaardigheid op jonge leeftijd heeft?

4. Voorwaarden voor slagen van inclusie.
Je noemt een aantal heel wezenlijke aspecten zoals schaalgrootte, onderwijsvisie, bereidheid bij leerkrachten en ouders, inspanning van leerkrachten en medeleerlingen, waarop scholen moeten worden doorgelicht. Zie jij dat overal gebeuren?


Je concludeert dus dat deze, toch werkelijk niet geringe, problemen in ieder geval niet de grote terughoudendheid wettigen die wij in Nederland kennen op het gebied van dove kinderen in het reguliere basisonderwijs.

Volgens ons heb je drie argumenten voor deze conclusie. Wij noemen die hieronder, vergezeld van onze reactie.

1. Cochleaire implantatie (CI) in samenhang met neonatale gehoorscreening.
Wij zijn het met je eens dat de ontwikkelingen op deze gebieden zeer gunstig kunnen zijn voor een aanzienlijk aantal dove kinderen. Maar we vinden dat gebarentaal zeker in de eerste jaren van essentieel belang blijft voor deze kinderen. Hoe lang duurt het immers voordat duidelijk is of CI voor een doof kind haalbaar is, voordat het optimaal werkt, voordat duidelijk is wat het kind ermee zal kunnen doen? En we weten inmiddels toch wel allemaal hoe belangrijk die allereerste tijd voor een kind is, hoe wezenlijk de communicatie in die periode is, ook voor de band tussen kind en ouders? Als het kind zich eenmaal via gebarentaal kan uitdrukken, ligt het voor de hand om dat communicatiekanaal te behouden. Voor de situaties waarin het implantaat niet (goed) werkt, maar vooral ook voor de communicatie met andere doven. Bovendien wordt een doof kind met CI nooit een horend kind, hoogstens een kind dat functioneert als (ernstig) slechthorend. Daarnaast is het een kind met een "dove" geschiedenis. Voor deze groep blijft op het gebied van communicatie en sociaal-emotionele ontwikkeling deskundige aandacht nodig. Het is immers bekend dat het isolement onder slechthorenden vaak nog groter is dan onder doven, omdat de communicatie tussen lotgenoten ook lastig is.

Voor ons is het logisch dat de dovenscholen, waar uiteindelijk veel expertise aanwezig is, een goed aanbod creëren voor kinderen met een CI, zodat ouders de keuze houden tussen speciaal en regulier onderwijs. (In ons jaarverslag 2003 gaan wij op dit onderwerp overigens uitgebreid in.)

2. De twijfel over de kwaliteit van het dovenonderwijs.
Ook wij zijn niet tevreden over de kwaliteit van het dovenonderwijs, zowel op cognitief als sociaal-emotioneel gebied, maar dat is voor ons reden om, ook samen met Dovenschap, energie te steken in de verbetering daarvan, liever dan te proberen de deskundigheid van duizenden reguliere scholen waar een of enkele dove kinderen zitten te bevorderen.

Wat betreft je, in onze ogen nogal simplistische, suggestie dat het speciaal onderwijs wel eens slechter zou kunnen zijn voor dove kinderen op sociaal-emotioneel gebied, citeren we je conclusie "Het is niet uitgesloten dat plaatsing van dove kinderen in het regulier basisonderwijs onder bepaalde omstandigheden juist voor een rijkere sociale omgeving voor dove kinderen kan zorgen." Inderdaad: niet uitgesloten, en de omstandigheden moeten dan wel heel bepaald zijn...

Een flink aantal dove kinderen, al of niet met een bijkomende handicap of gedragsstoornis, zal altijd afhankelijk blijven van dovenonderwijs. Jij noemt de categorieën "kinderen die om reden niet, nog niet of tijdelijk niet onderwijs kunnen volgen op een reguliere school". Het zou juist zijn hier expliciet de kinderen te benoemen die het in het regulier onderwijs of het slechthorendenonderwijs niet redden en alsnog, soms na jaren, naar het dovenonderwijs moeten. Het zal helaas nodig zijn voor deze groep leerlingen extra expertise te ontwikkelen.

Als we op dit ogenblik luisteren naar dove jongeren, blijft ook voor diegenen die in de maatschappij "geslaagd" zijn de dovenwereld van wezenlijk belang, en gebarentaal essentieel voor hun welbevinden. Het is nodig dat het dovenonderwijs een bijdrage aan die dovenwereld blijft leveren, zowel wat betreft de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling van dove kinderen. Als een van de negatieve kanten van het dovenonderwijs noem je dat dove kinderen daar jarenlang deel uitmaken van kleine klasjes, waardoor hun wereld tot een microkosmos is gereduceerd. Je hebt gelijk, maar is dat slechter dan die vele dove kinderen die in hun eentje op een reguliere school zitten, waar ze ook nog eens geen dove volwassene tegenkomen? Je noemt zelf dat "aandacht voor identificatie met dove volwassenen, voor Dovencultuur en voor contacten met andere dove kinderen van groot belang blijft". En je suggereert dat specifieke identificatieprogrammaŽs en gemeenschappelijke buitenschoolse activiteiten hierin kunnen voorzien. Maar die zijn er toch nog niet of nauwelijks?

Er is iets anders dat ons zorgen baart. Dove kinderen kunnen leerstoornissen, visusstoornissen, psychische en andere problemen hebben, die bijvoorbeeld veroorzaakt worden door (nog) niet herkende hersenschade. Binnen het dovenonderwijs is er een veel grotere kans dat die bijkomende problemen worden herkend door leerkrachten en andere mensen met ervaring en deskundigheid. Voor leerkrachten in het regulier onderwijs is het ondoenlijk dergelijke problemen los te zien van de directe gevolgen van gehoorproblemen, waar ze in de meeste gevallen ook al voor het eerst mee worden geconfronteerd. Ambulant begeleiders zullen hier, als zij voldoende deskundig zijn, wel aandacht voor hebben, maar zij moeten al op veel terreinen in weinig tijd actief zijn; de kans dat hun iets ontsnapt is reëel.

Een groot probleem dat wij hebben met het dovenonderwijs noem je niet. Je schrijft dat er inmiddels meer dan acht locaties zijn voor gespecialiseerd dovenonderwijs. Op papier is dat juist, maar dat komt doordat bij de REC-vorming recentelijk een aantal slechthorenden-scholen van het ene op het andere moment het predikaat "dovenonderwijs" toegeschoven heeft gekregen. Van tweetaligheid is op die nieuwe locaties sowieso geen sprake.
Terwijl er, zoals je memoreert, in 1998 een convenant is gesloten tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de doveninstituten (en FODOK en Dovenschap) over de invoering van tweetaligheid in het dovenonderwijs. Hoe kan het dan dat zoiets gewoon terzijde geschoven wordt? De gevolgen blijven niet uit. Deels zijn dat ­ mogelijk zeer ingrijpende ­ gevolgen voor de ontwikkeling van het individuele kind. Deels zijn het praktische gevolgen waar wij nu al mee geconfronteerd worden: zo zijn gemeenten weigerachtig om het vervoer te regelen naar de dichtstbijzijnde plek waar tweetalig onderwijs wordt gegeven: de slechthorenden-school in de buurt geeft immers ook "dovenonderwijs"!

3. Tweelingscholen.
In het persbericht naar aanleiding van je rede werd dit punt prominent genoemd. Alleen, dergelijke scholen bestaan in Nederland nog helemaal niet. Er is dit jaar één experiment van start gegaan. Als dat gebeurt op de manier van Tripod in de Verenigde Staten, is dat inderdaad hoopgevend, veel van de problemen die hierboven onder de punten a-c zijn genoemd, worden daarmee opgelost. We menen echter dat men bij Tripod vindt dat minstens eenderde van de leerlingen in een groep doof moet zijn, wil de sociale integratie met de horende meerderheid goede kans van slagen hebben. Voor zover wij weten is dat niet het geval bij dat ene Nederlandse experiment. En er zijn meer voorzieningen in het totaal dat Tripod biedt, waar we hier (nog) niet aan kunnen tippen. Voorlopig zijn echte tweelingscholen voor dove kinderen hoogstens een fraai toekomstperspectief, dat uiteraard wel alle aandacht verdient.

Als we het idee van tweelingscholen doordenken, doemt er overigens wel een eigenaardig scenario op. Het betreft de spreiding. Dove kinderen wonen nu eenmaal meestal niet bij elkaar in de buurt, en dus levert het vormen van tweelingscholen het zelfde probleem op van het beperkte aantal locaties als nu bij de dovenscholen speelt. Dan komen opnieuw al die praktische problemen om de hoek kijken die mede aanleiding waren voor ouders om thuisnabij onderwijs te zoeken. Wat je dus eigenlijk zegt als je het idee van tweelingscholen omarmt is: laten de bestaande dovenscholen zich omvormen tot tweelingscholen. Dat klinkt meteen heel anders dan: laat uw dove kind naar een reguliere school gaan, samen met andere dove kinderen, in een tweelingschool.Alles overziend vinden wij dat je kritiek op de terughoudendheid in het plaatsen van dove kinderen in het regulier onderwijs onvoldoende gefundeerd is. Je schetst uitvoerig de problemen die bestaan, en als je al oplossingen geeft, zijn die in ieder geval nog niet voorhanden.Je hoop op de toekomst in de vorm van tweelingscholen begrijpen we in theorie, maar we kunnen ons niet voorstellen dat je werkelijk op dit moment ouders wilt aanmoedigen hun dove kind op een reguliere school te plaatsen in de hoop dat die ooit deel zal gaan uitmaken van zoŽn samenwerkingsverband.Om op het begin terug te komen: juist omdat zo duidelijk is hoe prettig het voor ouders is om hun kind gewoon in de buurt op school te hebben, vinden wij dat je extra voorzichtig moet zijn met uitspraken in die richting. Die voorzichtigheid voert niet de boventoon in jouw rede. Dat is jammer, want je geeft veel nuances aan, die echter overstemd worden door de eenvoudige, en volgens ons ongefundeerde, boodschap: een doof kind hoort in het regulier onderwijs. Waar jouw rede toe kan leiden bleek meteen in het septembernummer van Vitrine (het blad van Viataal). Twee citaten uit het artikel met de titel "Dove en slechthorende kinderen doen het goed op de gewone school.": "Ook in sociaal en emotioneel opzicht ontwikkelen dove kinderen op reguliere basisscholen zich goed." "Vroeger onderzoek wees uit dat dove en slechthorende kinderen zich inderdaad vaak eenzaam voelen op een reguliere school. Recent onderzoek laat daarentegen eerder positieve uitkomsten zien. Vooral met de nieuwste onderwijsvorm "co-enrollment" ofwel "tweelingscholen" worden volgens Harry Knoors gunstige resultaten geboekt. Hier is de boodschap alleen nog maar positief en is elke nuance weggevallen.Graag willen we afsluiten met de constatering (in jouw stuk ook genoemd) dat zowel in de standaardregels van de Verenigde Naties als in de verklaring van Salamanca van de UNESCO speciaal onderwijs voor dove kinderen nadrukkelijk als een verdedigbare optie wordt gezien. Daar heeft men in ieder geval begrepen dat, terwijl een school zonder meer bereid moet zijn alle ruimte te maken voor een kind met een rolstoel, de situatie van dove kinderen wezenlijk anders is. Communicatie speelt zoŽn allesbepalende rol in zowel de cognitieve als sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind, dat je goed moet weten wat je doet als je een doof kind naar een reguliere basisschool stuurt. Naast alle inspanningen om het regulier onderwijs toegankelijk te maken voor dove kinderen, zou de FODOK daarom willen pleiten voor verbetering van de kwaliteit van het dovenonderwijs en van de voorlichting aan ouders, die nu nog vaak moeten kiezen zonder de verstrekkende gevolgen daarvan te kunnen overzien. Dan hebben ouders tenminste een echte keuze, mits natuurlijk alle betrokkenen het zelfde uitgangspunt hebben: onderwijs dat de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van dove kinderen maximaal stimuleert.Eerder in deze brief citeerden we onze Amerikaanse zusterorganisatie. Die heeft inmiddels een samenwerkingsverband opgezet met allen uit de Amerikaanse dovenwereld en daarbuiten die zich zorgen maken over de (school)toekomst van dove kinderen. Ze proberen te repareren wat stuk is.Laten wij hier met zijn allen voorkomen dat het dovenonderwijs dát we hebben kapot gaat.

Met vriendelijke groet,

Toine van Bijsterveldt,voorzitter

Bron: FODOK, 5 oktober 2004. Aangevuld 18 oktober 2004.