Reactie van de FODOK op het boek Anders doof zijn


De FODOK is erg blij met de heldere en uitvoerig gedocumenteerde wijze waarop Corrie Tijsseling het belang aantoont van een visuele taal, gebarentaal, voor de totale ontwikkeling van elk doof kind. Ook geeft ze heel duidelijk het belang aan van contacten met andere dove kinderen en volwassenen. Het feit dat hier een volwassen dove, en kind van dove ouders, aan het woord is zal ook voor horende ouders van dove kinderen extra waarde verlenen aan haar argumenten.

Hoe belangrijk contact met de dovenwereld ook is, "ervaringsdeskundigheid" komt waar het horende ouders betreft in de allereerste plaats uit een andere hoek: die van "collega"-ouders van dove kinderen. De FODOK heeft kritiek op het tekort aan aandacht in het boek voor die kant van de wereld van het dove kind.

Het gaat ons hierbij om vier aspecten:
- het oog hebben voor de verwarring, het verdriet en de zorgen van de ouders;
- het erkennen van het belang, in verleden, heden en toekomst van steun en informatie van andere horende ouders;
- het juist inschatten van de mogelijkheden van de gemiddelde ouders;
- het juist inschatten van de verantwoordelijkheid van ouders, ook waar het gezinnen met dove kinderen betreft.

Verder is Corrie Tijsseling tegen de term "prelinguaal doof", die zij onjuist en stigmatiserend vindt. De FODOK vindt de term goed en nuttig. De term oordeelt niet, maar bekijkt alleen maar de doofheid in relatie tot de taalontwikkeling. De FODOK gebruikt de term onder andere om ouders en anderen uit te leggen waarom het zo belangrijk is om met een doof kind zo snel mogelijk in gebarentaal te communiceren, de enige taal die van het begin af aan toegankelijk is voor dat kind.

 
FODOK, 27 april 2006