‘Doofheid is meer dan niet kunnen horen’

In de nieuwsbrief van 'Aandacht voor iedereen' een interview met Marien Hannink, beleidsmedewerker FODOK. Zij vraagt aandacht voor doven en slechthorenden, want in het kader van de veranderingen binnen de WMO krijgen gemeenten in toenemende mate met deze groep te maken.


logo's aandacht voor iedereen


‘Gebarentaal is heel belangrijk, maar met een tolk verdwijnen niet alle drempels.’ Mariën Hannink vraagt aandacht voor doven en slechthorenden, deels nieuwe groepen voor de Wmo. ‘Mensen die gesproken taal niet of slecht meekrijgen, voelen zich minder thuis in de samenleving. Communicatie is immers een basisvoorwaarde om mee te kunnen doen.'

‘Doofheid en slechthorendheid vormen een levensbrede handicap met verstrekkende gevolgen,’ vertelt Mariën Hannink van de FODOK. Zij houdt zich namens zeven organisaties van doven, slechthorenden en mensen met ernstige spraak-taalmoeilijkheden bezig met de Wmo. Immers, gemeenten krijgen met de decentralisatie AWBZ-Wmo nog meer te maken met doven en slechthorenden. ‘Doof of slechthorend zijn, is echt meer dan een puur fysiek defect. Het beperkt de participatie in de samenleving. Mensen die de leefwereld van doven en slechthorenden niet kennen, beseffen vaak niet wat de gevolgen zijn van een dermate beperkte toegang tot de horende en sprekende maatschappij.’
Doven en ernstig slechthorenden kunnen gesproken taal meestal moeilijk volgen. Maar ook het lezen van teksten is voor doof geborenen lastiger dan voor veel andere mensen. Dat leidt niet alleen tot een informatieachterstand, maar kan ook gevolgen hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling en de zelfredzaamheid.


Ook een minder zwaar gehoorverlies kan tot isolement leiden. Je kunt moeilijk meedoen in gesprekken in grotere gezelschappen of met veel achtergrondgeluid. Een gehoorapparaat is in die situaties lang niet altijd voldoende.
Volgens Mariën Hannink heeft de buitenwereld weinig besef van de betreffende handicaps. ‘Mensen zien niet dat er op alle levensterreinen problemen kunnen ontstaan: opvoeding, onderwijs, gezondheidszorg, arbeid, relaties, vrije tijd. Men begrijpt niet wat doven en slechthorenden voor inspanningen moeten leveren om in de maatschappij te kunnen functioneren. Men beseft niet dat een deel van de mensen die doof geboren zijn verminderd zelfredzaam is en zijn hele leven ondersteuning nodig heeft.’

Wmo
‘Natuurlijk, een traplift voor iemand die doof is, verschilt niet van een traplift voor iemand anders. En iemand die slechthorend is, zal ook zo lang mogelijk in zijn eigen huis willen wonen,’ aldus Mariën Hannink. ‘Maar zodra iemand die doof of slechthorend is via het Wmo-loket hulp wil vragen, wordt het ingewikkelder. Is de informatie op de website niet te moeilijk? Is die informatie ook in gebarentaal beschikbaar? Hebben de mensen achter het loket voldoende kennis van en ervaring met deze groep? Kun je alleen via een formulier of via de telefoon communiceren, of kun je chatten of skypen of zelfs meteen al een 1-op-1 gesprek, al dan niet met een tolk gebarentaal, aanvragen?’
Communicatie is een voorwaarde voor de participatiesamenleving. Meedoen is voor doven en slechthorenden door hun problemen met gesproken taal niet vanzelfsprekend. Ze zullen zelf een stap moeten zetten, maar ook die samenleving moet duidelijk maken dat ze bereid is om op andere manieren te communiceren.
‘Als gemeenten en andere organisaties zichtbaar openstaan en hun best doen voor deze groep, zullen doven en slechthorenden zich welkom voelen. Dat betekent dat men bij het Wmo-loket zich moet afvragen of men ook voor deze groep goed en laagdrempelig bereikbaar is. En stel dat er hulp in huis nodig is, kun je dan vragen om iemand die ervaring heeft met gehoorproblemen en/of met gebarentaal?’

Begeleiding
De specialistische begeleiding van minder zelfredzame doven wordt straks een verantwoordelijkheid van de gemeente. Deze groep heeft hulpverleners nodig die beseffen wat de gevolgen zijn van de handicaps en de specifieke communicatiebehoeften. ‘Dat vraagt om meer dan tolken, toegankelijke taal of een ringleiding. De hulpverlener zal ook met hen moeten kunnen communiceren, én hij zal inzicht moeten hebben in de achtergronden en gevolgen van de handicap: wat kunnen ze, wat weten ze.’ zegt Mariën. ‘Die expertise kun je niet verwachten van een ambtenaar of een reguliere hulpverlener, ook al heeft die een tolk bij zich. En de groep is te klein om te verwachten dat elke afzonderlijke gemeente die expertise zelf kan ontwikkelen en bijhouden. Vandaar dat we met het ministerie van VWS en met de VNG in gesprek zijn om voor de gespecialiseerde begeleiding aan minder zelfredzame doven landelijke inkoopafspraken te maken. We hopen dat gemeenten daarin meegaan en dat ze niet uit angst voor mogelijke kosten hun eigen oplossingen gaan bedenken. Zo’n keuze leidt op termijn onherroepelijk tot meerkosten, zowel voor het welzijn van de dove cliënt als voor de gemeentefinanciën.’

Tolken
‘Ook de tolkvoorziening wordt naar de gemeenten overgeheveld. Dat betekent dat elke gemeente verantwoordelijk wordt voor de tolkvoorziening voor hun dove en slechthorende inwoners. VWS, VNG, belangenorganisaties en aanbieders werken nu aan een landelijke regeling met een eigen budget, omdat niet iedere gemeente daarvoor de benodigde expertise in huis heeft.’

Aandachtspunten
‘Wij merken dat lokale belangenorganisaties en Wmo-raden eigenlijk vaak nog niet veel weten van doven en slechthorenden.’ Aldus Mariën, ‘Doven en slechthorenden vormen een relatief kleine groep, maar ze maken wel deel uit van deze samenleving. We zullen dus samen moeten zorgen dat alle reguliere voorzieningen ook voor hen bruikbaar zijn. Dat betekent toegankelijke informatie, Wmo-ambtenaren die kunnen anticiperen op de vragen van doven en slechthorenden, en vooral de bereidheid hebben om mee te denken over oplossingen op maat. Denk bijvoorbeeld aan een beeldverbinding met de voordeur van de flat, zodat iemand kan zien dat de hulpverlener voor de deur staat en niet een ongewenste gast.’


Belangrijke aandachtspunten om te kijken of er voldoende aandacht is in het gemeentelijke Wmo-beleid zijn bijvoorbeeld:

  • Communicatie en toegankelijkheid: Zijn er tolken gebarentaal of voorlichtingsfilmpjes in gebaren beschikbaar? Is er ringleiding  of solo-apparatuur? Niet alle doven en slechthorenden beheersen de gebarentaal. Soms is duidelijk spreken in een rustige omgeving voldoende, soms kan er alleen schriftelijk gecommuniceerd worden. Veel doven hebben een beperkte leesvaardigheid. Wordt daar in het informatieaanbod mee rekening gehouden?
  • Herkenbaarheid: doven en slechthorenden zien graag dat er óók aan hen is gedacht. Maken gemeenten hun aanbod aan deze groep expliciet zichtbaar en hebben ze bijvoorbeeld mensen uit de doelgroep in dienst?


Informatie
‘Zonder contact met en een goed beeld van dove en slechthorende mensen lukt het gemeenten niet om goed in te spelen op de behoeften van deze nieuwe doelgroep voor de Wmo per 1 januari 2015. Ik ben blij dat Aandacht voor iedereen ook aandacht voor deze groep mensen vraagt en dat wij als belangenorganisaties daarin een rol kunnen spelen.’

Mariën Hannink werkt bij de FODOK. Zij is projectleider “Zorg / Samen Sterk”, een gezamenlijk project van zeven organisaties van doven, slechthorenden en mensen met ESM  bezig. ESM betekent ‘ernstige spraak-taalmoeilijkheden’; de officiële term wordt tos, taalontwikkelingsstoornissen. De zeven betrokken organisaties zijn: Dovenschap, FODOK, FOSS, JongerenCommissie, NVVS, SH-Jong en Stichting Plots- en Laatdoven.

 

Aandacht voor iedereen
In het programma ‘Aandacht voor iedereen’ krijgen o.a. Wmo-raden en lokale en regionale belangenorganisaties informatie en advies van de landelijke patiënten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties en de koepel van Wmo-raden. Zo kunnen zij een stevige gesprekspartner zijn voor gemeenten en zorg- en welzijnsaanbieders bij de transitie van de AWBZ-begeleiding naar de Wmo.

Lees hier het gehele artikel in de nieuwsbrief van 'Aandacht voor iedereen'.