FODOK: geen harde conclusies trekken uit onderzoek vertraging taalontwikkeling door gebarentaal

Ter gelegenheid van de promotie van Karin Wiefferink verspreidde de Universiteit Leiden het persbericht met de opvallende kop “Gebarentaal vertraagt taalontwikkeling van kinderen met CI". De FODOK is niet blij met het bericht en vindt mede vanwege de onderzoeksopzet nuancering van het bericht noodzakelijk.


Ter gelegenheid van de promotie van Karin Wiefferink verspreidde de Universiteit Leiden het persbericht met de opvallende kop “Gebarentaal vertraagt taalontwikkeling van kinderen met CI". Dit bericht werd enthousiast opgepikt door diverse media. De FODOK is niet blij met het bericht en vindt mede vanwege de onderzoeksopzet nuancering van het bericht noodzakelijk. 

Wiefferink vergeleek voor haar onderzoek - dat al in 2008 gepubliceerd is en waarop ook toen kritiek en nuancering kwam - de taalontwikkeling van slechts 15 Vlaamse kinderen met die van zeven Nederlandse kinderen. De ‘eentalige’ Vlaamse kinderen hadden één of twee cochleair implantaten; de Nederlandse kinderen met één CI groeiden op in een tweetalige omgeving waarin ze zowel gesproken taal als gebarentaal leerden.

De FODOK vindt de onderzoeksopzet te discutabel om er dergelijke grote conclusies aan te verbinden. Het verschil in taalaanbod tussen beide groepen was allereerst niet heel groot: de Vlaamse kinderen kregen naast gesproken taal ook soms gebaren aangeboden en het gebarentaalaanbod aan de Nederlandse kinderen was niet altijd optimaal. Daarnaast bestonden er ook veel verschillen tussen beide onderzoeksgroepen: de ‘eentalige’ kinderen in dit onderzoek hadden een lagere gehoordrempel met hoortoestel voordat het CI werd geïmplanteerd dan de tweetalige kinderen en ook was de begeleiding van de ‘eentalige’ kinderen in Vlaanderen veel intensiever. Voorts droeg het merendeel van de Vlaamse kinderen naast het CI een tweede CI of een gehoorapparaat, terwijl alle Nederlandse kinderen alleen één CI hadden. Daarnaast heeft leeftijd van implantatie invloed: een deel van de ‘eentalige’ kinderen was relatief vroeg geïmplanteerd.
Genoemde beperkingen staan vermeld in de onderzoeksrapportage, maar zijn door de verspreiders van bovenstaand bericht gemakshalve weggelaten.

Het feit dat steeds meer jongere kinderen één- of tweezijdig worden geïmplanteerd heeft consequenties voor de rol die gebarentaal speelt in de meeste horende gezinnen met een doof kind. Dat een kind met een CI in de meeste gevallen goed leert spraakverstaan, maakt het gebruik van gebarentaal voor de horende omgeving minder vanzelfsprekend. Maar het gebruik van gebaren blijft voor veel kinderen met CI in vele situaties van belang: in bad, aan zee, in rumoerige situaties zoals op feestjes, in de bus of op straat, of bij een technisch defect aan het CI. En natuurlijk is drempelloos kunnen communiceren wezenlijk voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Voor sommige dove kinderen zal alleen gebarentaal voldoende drempelloos zijn. We vinden het schadelijk dat de perspublicaties over dit onderzoek gebarentaal ongefundeerd als negatief afdoen, zonder dat er aandacht is voor de vele voordelen die het gebruik van gebaren en gebarentaal biedt, ook met het oog op de (taal)keuzes en de ontwikkeling van dove kinderen op de langere termijn. 


Momenteel wordt op verschillende plaatsen in Nederland hard gewerkt aan een nieuwe kijk op het taalbeleid ten behoeve van dove kinderen. Ongenuanceerde berichtgeving over dit onderwerp bewijst dove kinderen en hun ouders geen dienst, integendeel. Zorgvuldigheid blijft geboden!