Kinderen geven voorkeur aan actiegebaren

In gesproken talen kun je aan een woord zelf veelal niet zien wat het woord betekent. In gebarentalen daarentegen verbeelden veel gebaren in zekere mate hun betekenis. Nijmeegse wetenschappers onderzochten welke rol deze iconiciteit speelt bij het leren van gebarentaal.


Bij een iconisch gebaar, zoals bijvoorbeeld voor ‘honger’, verwijst het gebaar (ronddraaiende beweging van de hand over de buik) direct naar de betekenis. Ook het gesproken Nederlands kent woorden met zo’n directe koppeling tussen het woord en zijn betekenis. Voorbeelden van zulke woorden zijn ‘smakken’ en ‘koekoek’. Deze klanknabootsingen, waarbij het woord verwijst naar hoe iets of iemand klinkt, worden onomatopeeën genoemd. Verreweg de meeste woorden zijn echter gewoon een afspraak die mensen onderling gemaakt hebben. Aan het woord ‘stoel’ kun je immers niet zien, dat het om een meubel gaat waarop je kunt zitten. Bij gebarentalen zijn er echter veel meer gebaren die (deels) de betekenis weergeven. Deze gebaren worden iconische gebaren genoemd.

Actie- en vormgebaren

Eerder toonden de onderzoekers van het Max Planck Instituut en de Radboud Universiteit aan dat iconische gebaren makkelijker te leren zijn dan abstractere gebaren waarvan de betekenis niet meteen duidelijk is. Vermoedelijk doordat deze een directe link hebben met onze perceptuele en motorische ervaringen. Uit hun recent gepubliceerde onderzoek blijkt dat het daarnaast verschil maakt op welke manier een gebaar iconisch is. Een object kun je verbeelden door met je handen het gebruik ervan te laten zien, bijvoorbeeld het pellen van een banaan. Tijdens het gebaar voor dat object doen de handen hetzelfde als wanneer je daadwerkelijk het object gebruikt. Je kunt een voorwerp echter ook verbeelden door met de handen de vorm ervan aan te geven, bijvoorbeeld de gebogen vorm van de banaan. Deze vorm van iconiciteit is abstracter, omdat je handen op dat moment iets anders voorstellen dan handen.

Plaatjes benoemen

Het onderzoek werd gedaan bij verschillende groepen Turkse dove personen: kinderen van 5 jaar oud, van 8 jaar oud, hun ouders en andere volwassenen. Allen kregen plaatjes te zien van voorwerpen, die met beide type iconische gebaren konden worden benoemd. Bekeken werd welk gebaar zij spontaan gebruikten. Hoewel volwassenen onderling veelal het abstractere gebaar kozen dat de vorm verbeeldt, bleken kinderen veel vaker te kiezen voor het actiegebaar. Dit waarschijnlijk vanwege de directe associatie met hun eigen motorische ervaringen. In gesprek met hun kind gebruikten ouders ook eerder het actiegebaar dan het vormgebaar. Zij passen zich automatisch aan aan het ontwikkelingsniveau van hun kind, net zoals horende ouders onbewust in kortere zinnen en eenvoudigere woorden praten met hun kind.
Hoewel in dit onderzoek de Turkse gebarentaal werd onderzocht, gaan de onderzoekers ervan uit dat de uitkomsten ook gelden voor andere gebarentalen. Het onderzoek is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Developmental Psychology.


Gebaseerd op een artikel van Nemo Kennislink