Onderwijsinspectie wel en niet tevreden over het onderwijs in cluster 2
|
| ![]() |
De Inspectie van het Onderwijs publiceerde op 26 januari j.l. haar rapport over de kwaliteit van het cluster 2-onderwijs. Er is tevredenheid over de vooruitgang die is geboekt. Daarnaast plaatst de Inspectie kritische kanttekeningen bij diverse zaken in het Speciaal Onderwijs. Over rugzakleerlingen in het regulier onderwijs spreekt de Inspectie haar zorgen uit omtrent de handelings- en begeleidingsplannen, die onvoldoende als basis van de begeleiding en de verantwoording worden gebruikt. En onder de helft van die plannen ontbreekt de handtekening van de ouders.
Het Speciaal Onderwijs in Cluster 2
Vergeleken met de bevindingen in het Onderwijsverslag van 2006/2007 is de kwaliteit van het cluster 2-onderwijs verbeterd. Desondanks constateert de inspectie nog zorgelijke tekortkomingen.
De leerlingenzorg
Zo is de leerlingenzorg op een deel van de scholen onvoldoende. Op ongeveer een vijfde van de scholen wordt de beginsituatie van leerlingen onvoldoende bepaald en is er evenmin een samenhangend systeem om vorderingen en de ontwikkeling van leerlingen te volgen. Bovendien is bij 35 procent van de scholen de evaluatie van de handelingsplannen niet in orde. Een vijfde van de scholen voldoet niet aan de wettelijke taak om de handelingsplannen in overeenstemming met ouders vast te stellen. Deze tekortkomingen maken de leerlingenzorg kwetsbaar.
De kwaliteitszorg
De kwaliteitszorg is in vrijwel alle scholen (97 procent) in orde als het gaat om inzicht in de onderwijsbehoeften van hun leerlingenpopulatie. Ook hanteren veel scholen (84 procent) een onderwijsconcept dat aansluit bij hun leerlingen. Bovendien werkt de meerderheid van de scholen (91 procent) planmatig aan verbeteractiviteiten. Opvallend en zorgelijk is dat evaluatie niet vanzelfsprekend volgt op of voorafgaat aan de verbeteractiviteiten. Dat geldt voor de evaluatie van leren en onderwijzen (66 procent), van de leerlingenzorg (49 procent) en de opbrengsten (90 procent). Ook de borging van de kwaliteit van onderwijs en leren is onvoldoende op zestig procent van de scholen.
Differentiatie
Ook aan de differentiatie moet gewerkt worden. Hoewel scholen inzicht hebben in de onderwijsbehoeften van de leerlingen en het leerstofaanbod geschikt is voor differentiatie (94 procent), gebeurt dat regelmatig onvoldoende. Een (groot) deel van de scholen stemt onvoldoende af op de verschillen in onderwijstijd (66 procent), instructie en verwerking (39 procent) en het (ortho) pedagogisch handelen (17 procent). In het basisonderwijs is de differentiatie echter beter ontwikkeld dan in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.
Veiligheidsbeleid
Een ander verbeterpunt betreft het veiligheidsbeleid. Hoewel teamleden en leerlingen aangeven zich veilig te voelen op een groot deel van de scholen, blijft het veiligheidsbeleid nog achter bij ongeveer de helft van de scholen.
Opbrengsten
De inspectie stelt dat er nog veel valt te winnen op het gebied van de opbrengsten in cluster 2. Bij ongeveer een vijfde van de scholen zijn de leeropbrengsten beoordeeld. Tot op heden zijn nog geen opbrengsten met een voldoende beoordeeld, aangezien deze nog onvoldoende systematisch en planmatig in kaart zijn gebracht. Overigens constateert de inspectie dat de opbrengstgerichtheid in toenemende mate gestalte begint te krijgen in de cluster 2-scholen.
Gedrag
Alle cluster 2-scholen zijn sterk in het op een respectvolle wijze omgaan met leerlingen, het handhaven van gedragsregels, het realiseren van een taakgerichte werksfeer en het actief betrekken van leerlingen bij de onderwijsactiviteiten.
Cluster 2-leerlingen in het regulier onderwijs
De handelings- en begeleidingsplannen voor cluster 2-geïndiceerde leerlingen in het regulier onderwijs, zijn vaak onvoldoende betekenisvolle sturings- en verantwoordingsdocumenten. Dat geldt voor het basisonderwijs, maar vooral voor het voortgezet onderwijs. In de geanalyseerde plannen van mbo-leerlingen is vaak wel de financiële en formatieve verantwoording terug te vinden. (Aangetekend wordt dat de gegevens van het mbo berusten op een gering aantal plannen en lesobservaties. Bij het voortgezet onderwijs geldt dit voor de lesobservaties. Dit kan een vertekend beeld van de werkelijkheid geven.)
De plannen moeten zinvol zijn voor leraren in het regulier onderwijs. Zij hebben niet vanzelfsprekend voldoende kennis en vaardigheden voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve handicap. Daarnaast is het in het kader van transparantie van belang dat de school de financiële middelen uit de rugzakken van de leerlingen kan verantwoorden.
Meetbare doelen ontbreken
In het basisonderwijs zijn de doelen het meest SMART* geformuleerd, al is dat nog maar in maximaal 30 procent van de handelingsplannen en 43 procent van de begeleidingsplannen het geval. In het voortgezet onderwijs is dat respectievelijk maximaal 7 en 21 procent en in het mbo maximaal 14 en 0 procent. Het ontbreken van concrete en meetbare doelen vormt een belemmering voor de evaluatie.
De verplichte handtekeningen van de ouders op de handelingsplannen staan op ongeveer de helft van de plannen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. In het mbo betreft het 85 procent. Ook is het wettelijk verplicht de plannen jaarlijks met de ouders te evalueren. Afspraken hierover staan in slechts een vijfde van de basisonderwijsplannen, in een kwart van de plannen van het voortgezet onderwijs en de helft van de plannen in het mbo.
Een deel van de handelingsplannen bevat voldoende informatie voor de lesobservaties. Uit deze observaties blijkt dat de inhoud van de betreffende handelingsplannen niet altijd overeenkomt met de dagelijkse onderwijspraktijk. De inspectie herkent de handelingsplannen in circa 60 procent van de lessen in het basisonderwijs, in slechts 40 procent in het voortgezet onderwijs en circa 80 procent in het mbo. Verder blijkt uit de lesobservaties dat -los van de handelingsplannen- de afstemming van de onderwijstijd, het didactisch handelen en de actieve betrokkenheid van leerlingen in het basisonderwijs aanzienlijk beter is dan in het voortgezet onderwijs en het mbo. Toch is ook in het basisonderwijs de afstemming van de instructie en verwerking in meer dan een kwart van de geobserveerde lessen nog onvoldoende.
De begeleidingsplannen in het voortgezet onderwijs zijn op alle indicatoren minder vaak expliciet uitgewerkt dan in het basisonderwijs en het mbo. In de begeleidingsplannen komt het tijdstip van de evaluatie het meest aan de orde. Afstemming met externe deskundigen is in de minste plannen opgenomen.
Conclusies
De kwaliteit van de cluster 2-scholen is verbeterd ten opzichte van de voorgaande jaren. Desondanks zijn er nog steeds te veel scholen die op essentiële onderdelen onvoldoende onderwijskwaliteit bezitten. Ruim een derde van de scholen heeft dan ook een aangepast arrangement zwak ontvangen.
Handelings- en begeleidingsplannen zijn regelmatig geen goede sturings- en verantwoordingsdocumenten. Dat geldt vooral voor het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. De inspectie acht onvoldoende kwaliteit van het cluster 2-onderwijs en de handelings- en begeleidingsplannen maatschappelijk niet acceptabel, omdat de kwetsbare cluster 2-leerlingen recht hebben op het onderwijs dat is afgestemd op hun specifieke onderwijsbehoeften. Dit ondanks dat scholen over het algemeen hun uiterste best doen om de leerlingen onderwijs te bieden van voldoende kwaliteit.
Kijk op de website van de onderwijsinspectie voor meer informatie.

