Twee talen

Als een dove baby opgroeit tussen pratende mensen, mist hij veel informatie, blijft het contact beperkt en heeft hij niet of nauwelijks toegang tot taal. Dat is heel anders bij gebarentaal. Omdat je gebarentaal kunt zien, is die wél goed toegankelijk. Voor een horend kindje is het de normaalste zaak dat zijn ouders met hem praten; voor een doof kindje zou dat net zo moeten zijn. Zodra bekend is dat een kind doof is, begint de gezinsbegeleiding daarom met het gebruik van gebarentaal. Dit geeft ouders en kind een mogelijkheid om met elkaar te communiceren en voor het kind is het dé manier om taal te leren. Het is heel wat om als ouder een nieuwe taal te moeten leren, maar het stimuleert enorm als je merkt hoeveel meer contact je met je kind krijgt.

Natuurlijk moet een doof kind ook zo goed mogelijk Nederlands leren. Veel kinderen krijgen als ze ongeveer een jaar zijn een cochleair implantaat (CI), waardoor ze meer gaan horen en dus makkelijker Nederlands leren. Maar ook bij de dove kinderen zonder CI wordt daar veel aandacht aan besteed.

Lange tijd werd gedacht dat gebarentaal kinderen zou belemmeren bij het leren van de gesproken taal. Steeds meer wordt echter duidelijk dat gebarentaal daar juist bij helpt. Op dit moment zijn de Nederlandse deskundigen het er wel over eens dat een tweetalige opvoeding het beste is voor kinderen die van jongs af aan doof zijn.

Gebaren zijn heel makkelijk te leren voor jonge kinderen. Er is een trend om ook met horende babies gebaren te gebruiken. Baby’s kunnen eerder gebaren dan spreken. Daardoor kun je met gebaren eerder in taal communiceren met een baby.