Onderzoek naar de relatie tussen het gebruik van gebaren en gesproken taalontwikkeling

In het artikel “Cochleaire implantatie bij dove kinderen – Effecten op de ontwikkeling en mogelijke gevolgen voor pedagogisch beleid” in de bundel “Effecten van cochleaire implantatie bij kinderen – een breed perspectief”, redactie Truus van der Lem en Gerard Spaai, van Tricht  Uitgeverij, 2008,  zet Harry Knoors uiteen welke onderzoeken er zoal gedaan zijn naar het effect van de taalomgeving (auditief-verbaal of gebarend) op de gesproken taalontwikkeling van kinderen met CI. 

Hieronder vatten we de relevante passages uit dit artikel samen:

Er zijn onderzoekers die erop wijzen dat de verwerving van gesproken taal na implantatie beter lijkt te verlopen als kinderen opgevoed en onderwezen worden in gesproken taal. (Vaak wordt dit auditief-verbale of orale opvoeding genoemd).

De onderzoekers suggereren dat het kijken naar gebaren het aandachtig luisteren verstoort, of dat het kijken naar de gebaren het kijken naar het mondbeeld belemmert waardoor het verwerken van de gesproken taal minder vloeiend gaat. Ook zouden auditieve en visuele hersenfuncties te veel met elkaar moeten concurreren.  Eenvoudig gezegd: goed kijken en goed luisteren kan niet tegelijkertijd. Dit zou kunnen verklaren waarom de onderzochte auditief-verbaal opgevoede kinderen met CI een betere gesproken taalontwikkeling hebben dan kinderen die óók gebaren aangeboden krijgen.  Het is een veronderstelling, een theorie. Maar het is niet duidelijk of deze theorie klopt.

Knoors wijst er (in navolging van Geers (2006)) op dat de gunstige resultaten bij  de auditief-verbaal opgevoede kinderen ook het gevolg kunnen zijn van selectie-effecten: het zijn misschien vooral de kinderen die het auditief-verbaal al goed doen, die in een auditief-verbale onderwijsomgeving terecht komen. Verder zijn onderzoeksresultaten moeilijk te interpreteren omdat lang niet altijd duidelijk is wat het taalaanbod van de onderzochte kinderen was. Soms wordt een omgeving ‘auditief-verbaal’ genoemd, maar worden er óók ondersteunende gebaren aangeboden. Verschillen tussen onderzoekspopulaties én test-omstandigheden bemoeilijken de interpretatie van onderzoeksresultaten nog verder.

Ook een recent Nederlands-Vlaams onderzoek van de NSDSK (Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind), ONICI (Onafhankelijk Informatiecentrum over Cochleaire Implantatie België) en KIDS (Koninklijk Instituut voor Doven en Spraakgestoorden, België) lijkt in eerste instantie te wijzen op een negatief effect van het gebruik van gebaren op de gesproken taalontwikkeling. De Vlaamse kinderen met CI, die een overwegend auditief-verbale opvoeding kregen, hadden een aanzienlijk beter begrip en gebruik van het gesproken Nederlands, dan de Nederlandse kinderen met CI.

Echter de twee groepen kinderen die vergeleken worden zijn op cruciale punten verschillend:

  • De leeftijd van implantatie: in België gemiddeld jonger;
  • De duur en intensiteit van specialistische begeleiding: in België werd veel sneller na de geboorte begeleiding gegeven en de kinderen kregen (veel) meer contacturen begeleiding; dit zorgde voor een rijk taalaanbod en veel stimulatie, maar ook voor het sneller oplossen van technische problemen; bij de Nederlandse kinderen werden de CI's soms langere tijd niet gedragen; 
  • De hoorrevalidatie voorafgaand aan implantatie: in België hadden de kinderen voorafgaand aan de implantatie een betere ‘hoordrempel' met hun hoortoestel dan de Nederlandse kinderen; 
  • In België was het merendeel van de kinderen 2-zijdig gerevalideerd: óf met 2 CI's of met een CI plus een hoorapparaat. In Nederland was het merendeel van de kinderen 1-zijdig gerevalideerd met CI.

Verder blijkt dat de oraal opgevoede Vlaamse kinderen op school en in de gespecialiseerde peutergroepen toch vaak ondersteunende gebaren aangeboden kregen.  

Daarom kan ook op basis van dit onderzoek niet geconcludeerd worden dat het gebruik van gebaren de gesproken taalontwikkeling verstoort of afremt. Eerder vinden we in dit onderzoek aanwijzingen dat kinderen minder profiteren van hun CI als zij geen intensieve begeleiding krijgen.

De FODOK vindt dus nergens bewijzen of aanwijzingen dat het gebruik van gebaren na implantatie de gesproken taalontwikkeling remt.

Daarentegen zijn er wel aanwijzingen dat de kwaliteit van de communicatie vóór implantatie van invloed is op de verwerving van gesproken taal na implantatie:

Yoshinaga-Itano (2006) bestudeerde de taalontwikkeling van 3 dove kinderen. Knoors schrijft over dit onderzoek: “Al deze kinderen hadden voorafgaand aan de implantatie al een grote gebarenschat, groter dan de gemiddelde woordenschat van horende leeftijdgenootjes. Deze kinderen bleken voordat ze geïmplanteerd werden nog geen gesproken taal te hebben verworven, ondanks dat ze hoortoestellen droegen en een intensief aanbod van gesproken taal kregen. Wel hadden ze enig bewustzijn van klanken en waren ze in staat enkele vocalisaties te produceren. De leeftijd waarop de kinderen geïmplanteerd werden varieerde van 20 tot 30 maanden. De casestudies laten zien da alle drie de kinderen erin slagen om binnen 12 tot 14 maanden na de implantatie een leeftijdsadequate woordenschat in gesproken taal te verwerven. Blijkbaar zijn zij in staat om, heel snel, gesproken woorden te koppelen aan reeds verworven gebaren".

Kortom:

  • Nergens is aangetoond dat gebaren een negatieve invloed hebben.
  • In de periode vóór de implantatie en in de eerste periode na de implantatie zijn gebaren dé manier om de communicatie en de taalontwikkeling van je kind op gang te brengen en te houden.
  • Gebarentaal is de enige taal die altijd volledig toegankelijk is voor je kind: als het CI niet gedragen wordt, als het stuk is of als de batterijen op zijn. als er teveel achtergrondlawaai is, of als jouw kind toevallig niet zoveel profijt heeft van een CI als je misschien zou willen.
  • Optimale audiologische ondersteuning (instelling, dagelijkse contrôle, snelle reparaties van CI én hoortoestellen), intensieve hoortraining en taalstimulatie, zowel vóór implantatie als na implantatie lijken zeker van belang voor een goede ontwikkeling van de gesproken taal.

 

terug