De eerste periode

Bij een dove baby gaat de opvoeding niet zo ‘vanzelf’ als bij een horend kind. Doordat de baby niet of nauwelijks geluiden hoort, mist hij veel informatie. De baby hoort bijvoorbeeld niet de stem van zijn ouders. Hoewel een jonge horende baby nog niets begrijpt van wat zij zeggen, hoort hij de klank die vertrouwd is, die troost en contact betekent, ook op afstand. De baby leert klanken kennen en hoort het ritme en de intonatie bij het praten. Weer wat later kan hij woordjes gaan herkennen en zo kennis maken met de taal.

Doofheid kan gevoel met de buitenwereld in de weg staan

Een dove baby hoort meestal ook niet de vertrouwde geluiden in huis, of de spannende geluiden buiten op straat, die hem bewuster maken van de wereld. Hij kan geluid niet gebruiken als oefenmateriaal, door te horen wat er gebeurt als hij met zijn stem speelt. Doofheid kan het gevoel van geborgenheid, dat voor een baby zo belangrijk is, in de weg staan. Want geluid betekent een voortdurend contact met de buitenwereld.

Een dove baby die in het donker in zijn bedje ligt, mist het contact met zijn omgeving. En als zijn vader of moeder uit zijn blikveld verdwijnt, kan het voor hem lijken alsof deze van de aardbodem is verdwenen: hij hoort zijn ouder immers niet lopen of praten. Voor jongere baby’s is dit nog niet zo’n gemis; zij voelen zich veilig in hun vaste patroon van slapen, eten, verschonen, spelen, knuffelen. Maar als kinderen wat ouder worden, gaan ze zich meer naar buiten richten en dan kan de omgeving eerder bedreigend overkomen. Een veilig gevoel kan ook worden verstoord door schrik, als bijvoorbeeld zonder waarschuwing een gezicht voor het kind opdoemt, of als hij wordt opgepakt door handen die hij nog niet had opgemerkt.